Laat het doopregister geen lesgever kiezen
- lienmarivoet
- 25 mei 2025
- 3 minuten om te lezen

Het artikel:
Gedoopt zijn niet langer voorwaarde om godsdienst te geven in katholiek onderwijs |
Door het lerarentekort wordt in het katholiek onderwijs het sacrament van de doop gelost als voorwaarde om godsdienst te geven. Dat schrijven de kranten van Mediahuis vandaag. Katholiek Onderwijs Vlaanderen, de grootste onderwijsverstrekker, versoepelt de voorwaarden om rooms-katholieke godsdienst te geven in het lager en secundair onderwijs. |
Tot nu moesten godsdienstleerkrachten aan drie voorwaarden voldoen: een opleiding gevolgd hebben, bereid zijn het leerplan te volgen en gedoopt zijn. Door het nijpende lerarentekort wordt dat in noodsituaties teruggedrongen tot één voorwaarde: bereid zijn het leerplan te volgen. |
“Dit is niet ideaal, maar nood breekt wet”, zegt Jürgen Mettepenningen, moderator van de erkende instantie rooms-katholieke godsdienst, die voor de inhoud en de organisatie van het vak instaat. “Als de leraar gedoopt is, geeft dat altijd een extra garantie dat hij gelovig is”, legt hij uit. “Door het grote tekort is die voorwaarde in noodgevallen niet langer vol te houden.” Belangrijk voor scholen: de noodaanpak wordt jaarlijks in samenspraak herzien per school. Ze geldt ook alleen in het katholiek onderwijs. Wie rooms-katholieke godsdienst wil geven in het officieel onderwijs (zoals het stedelijk onderwijs of het GO!) moet dus wel nog altijd de juiste opleiding gevolgd hebben én gedoopt zijn. Een van de redenen is dat er in die scholen geen vakgroep is om de ‘noodleraar’ te ondersteunen, aldus Mettepenningen, en in het katholiek onderwijs wel. |
De recente beslissing van Katholiek Onderwijs Vlaanderen om het doopsel niet langer als harde voorwaarde te stellen voor leerkrachten godsdienst, roept heel wat reacties op. Maar eerlijk? Ik vind het een begrijpelijke en zelfs logische stap.
In het artikel zegt Jürgen Mettepenningen dat “een gedoopte leraar altijd een extra garantie geeft dat hij gelovig is.” Dat vind ik een bijzonder vreemde redenering. Zelf ben ik niét gedoopt, maar ik heb wél jarenlang met klasgenoten gezeten die dat wel waren, en ik heb het vak godsdienst altijd met plezier gevolgd. Niet omdat het moest, niet omdat ik geloofde, maar gewoon: omdat ik het boeiend vond. Omdat er ruimte was voor verhalen, gesprekken, nadenken over het leven, waarden en zingeving.
Ik durf ook te zeggen: heel wat mensen van mijn generatie zijn wel gedoopt, omdat het nu eenmaal zo hoorde in de familie. Ze deden hun communie, misschien hun vormsel, volgden netjes godsdienst, maar zijn vandaag absoluut niet gelovig – en zetten al jaren geen voet meer in een kerk. Dat is op zich niet verkeerd, maar het toont wel aan dat een doopattest helemaal geen garantie is voor geloof of overtuiging.
Moet een leerkracht godsdienst per se gelovig zijn? Ik denk van niet. Net zoals je geen archeoloog hoeft te zijn om geschiedenis te geven, maar het verschil maakt met passie. Ik geef zelf geschiedenis, zonder een diploma in dat vak. Die passie is gegroeid, niet vanzelf – maar mijn leerlingen voelen die wél. “Jij maakt er een leuke, interessant en behapbaar verhaal van, mevrouw”, zeggen ze. En dat maakt het leerproces net krachtig.
Waarom zou dat voor godsdienst anders zijn? Geloof, zingeving, levensbeschouwing – het zijn vakken waarin jongeren begeleid worden om na te denken, niet om bekeerd te worden. En dat doe je beter met betrokkenheid en openheid, dan met een doopattest.
Is het ideaal dat deze versoepeling voortkomt uit een lerarentekort? Natuurlijk niet. Maar het is ook niet ideaal dat een puur formele religieuze handeling ooit als toegangsticket diende om jongeren te mogen begeleiden in hun zoektocht naar zingeving.
Laat passie spreken – niet het doopregister.



Opmerkingen